De Evacuatie naar Meerlo

Met Allerzielen ( 2 november) was er een heilige mis in de kelder van het klooster. Iedereen bleef de hele dag in de keldergang. Plotseling kwam er bericht dat iedereen Tienray moest verlaten. De zusters uit Oirlo waren voorbereid op die jobstijding maar zij bleven nog tot vrijdagmorgen. De Duitse autoriteiten zeiden ook nu weer, dat zij over de Maas zouden moeten gaan en dan naar Duitsland. Daar zouden de zusters het goed hebben en in ziekenhuizen kunnen werken. Nu moesten ze voor de derde keer evacueren. Waar naartoe? Overal waren duizenden evacués.
Een evacué in de buurt zei: “Ik ga met u mee naar Meerlo. Gaat u naar meneer kapelaan om inlichtingen te vragen. Hij zal wel iets voor u weten, ik ben zelf hier ook heel vreemd.”
De kapelaan was direct bereid de kloosterlingen op te nemen, als ze in de keuken durfden te slapen. De kleine kelder was meer dan vol. Er waren in totaal achttien mensen. Bovendien waren er Duitse Rode Kruissoldaten die de hele dag in en uit liepen. De zusters hadden weer een onderdak.
Zuster Verona: De keuken in Meerlo was een binnenkamer, dus tamelijk veilig. Wij sliepen op strozakken, die inderhaast voor ons klaar gemaakt waren. Wij aten drie keer per dag en woonden in de beste kamer. Maar het was er koud en vuur en licht hadden we niet.

Wij konden ons boven wassen en verschonen.
Dat was een grote verbetering! Wij waren al wekenlang niet uit de kleren geweest. Gekleed gingen wij op de strozak liggen. In Meerlo hebben wij zeer goed en warm geslapen. Drie keer ben ik op 4 november alleen op en neer naar Tienray gegaan om te halen, wat achtergebleven was. Zuster Damase ging ook een keer mee. Wij kregen van overste Majola nog brood, vlees en appels mee. Ook konden wij onze kleding en was meenemen. ’s Avonds kwamen verschillende voltreffers in onze nabijheid. Er waren drie gewonden, verschillende soldaten en een onderwijzer (Van Lier) waren dood. Veel schade was er aan de huizen.
In Meerlo deden de zusters elke dag boodschappen. Er moest brood, melk, vlees, fruit enz. gehaald worden. Bij Brugeind stond een Duitse wacht. Overdag werd wat minder geschoten, maar ’s nachts sloegen de granaten in. Iedere dag werden in de kerk twee heilige missen opgedragen.
Ook de tweede week van november sloegen granaten van alle kanten in. ’s Nachts schrokken ze wakker van korte, hevige aanvallen. Ze zaten overdag in de kou en ’s avonds in het donker. Wat kan een mens veel verdragen als het moet!
Verona: Ik huiverde en vreesde, dat men elk ogenblik op ons zou schieten. Op straffe van de doodstraf was het verboden het klooster te naderen.
Zuster Damase liet zich niet uit ’t veld slaan. De volgende ochtend heel vroeg vertrok zij met zuster Theresia met kar en paard. Zij hadden zoals altijd ruimschoots Gods zegen. Het bleef heel stil. Uiteindelijk hebben zij maaimachines, kaarsen, stijfsel, zeeppoeder, knippapier, een mand vuile was enz. uit Oirlo meegebracht.
De keuken werd ’s avonds uitgeruimd. Strozakken en strokussens werden op de grond gelegd. Iedereen lag op een rijtje naast elkaar met één deken ter ruste en had die nacht heerlijk geslapen, de slaap der rechtvaardigen! In de zitkamer van de kapelanij waren nu ook nog ruiten stuk. Iedere dag maar ook iedere avond was het zware kanon voor het huis in volle actie. Zij konden aan de lichtjes zien, hoe de granaten naar Oirlo en verder vlogen. De Britten schoten terug.
Zaterdag 18 november 1944. Zuster Verona: De hele dag werd er veel geschoten. Toch moesten wij levensmiddelen hebben. Niemand mocht of durfde op straat. Al biddende ging ik weer op stap, om het noodzakelijke bijeen te halen. Men praatte al over het springen van de brug. Ik vroeg of ik er nog over kon. Het kon.
Op zondag 19 november was er geen heilige mis vanwege de gevaarlijke toestand. Voortdurend hoorde men zwaar geschut. De afgelopen nacht vertrokken veel soldaten, ook die van het Rode Kruis. Alle mensen waren blij. Gisteren cirkelden enkele Britse vliegtuigen vlak boven Meerlo. Er werd gezegd dat het zwaar geschut voor onze deur zou vertrekken. Wat zou dat een geruststelling zijn. Na de middag dreven de Duitsers ongeveer dertig stuks vee bij elkaar, koeien, kalveren en schapen. Ze gingen ermee op Tienray aan.

Zuster Gertraud ving het regenwater op voor de was.
Wat waren de kappen vuil, tot nu toe hadden de zusters nog geen fijne was gedaan. Het gebeurde nu voor de eerste keer in ballingschap.
Vannacht was het rustig, maar vandaag wordt geregeld met tussenpozen geschoten.
Wij mochten niet buiten komen, want de Meerlose kerktoren zou men laten springen. Iedereen ging de kelder in. Toen de kerk vernield was, lag op de straat het puin bijna vijf meter hoog. Het altaar en de muur erachter stonden er nog! Wat een onheil hebben de Duitsers toch gebracht over de eenvoudige Limburgse dorpen.
Zuster Verona wilde naar Klein Oirlo om levensmiddelen te halen, maar een dubbele wacht stuurde haar terug. Die nacht was de achterhoede van de artillerie ook vertrokken. God zij dank, ook het zware geschut was weg. Het was een voortdurende bedreiging. De zusters konden eerst niet begrijpen dat de Britten niet op het geschut gemikt hadden. Nu wisten ze beter. Van bevoegde zijde werd verteld, dat de Britten precies wisten wat in Meerlo gaande was. Ter wille van de vele evacués hadden zij Meerlo gespaard en niet op het geschut voor onze deur gemikt. Helaas, er waren weer nieuwe soldaten gekomen. De toestand was erg kritiek. De soldaten zeggen dat wij er uit moeten. God beware ons!