Inkwartiering van Duitse militairen

Vanaf 18 september 1944 was er geen elektriciteit en water meer. Het water moest met emmers uit de stal gehaald worden, daar was namelijk een pomp. In de nacht van 1 oktober waren veel Duitse soldaten met auto’s gekomen. Ze stonden rondom de kerk. Op 22 oktober werden onze stal en de schuur door een nieuwe troep soldaten bezet. Achter ons huis in de tuin werd een wagen vol munitie geplaatst, een gevaarlijk geval. Een verdwaalde handgranaat vond vanmiddag haar weg in de refter. Acht ruiten werden verbrijzeld. Gelukkig bleef het daarbij. Op zekere dag kwam een SS man met een Rode Kruiswagen dertig dekens opeisen. Moeder Majola, gaf er achttien mee en dacht dat het zo welletjes was. Maar hij telde ze voor haar ogen na en zei ijskoud: “Noch zwölf”. Toch mochten de zusters nog van geluk spreken dat ze een dak boven het hoofd hadden, al bood dat ongetwijfeld geen zekere beschutting. De huiselijke bezigheden van de zusters bestonden voor een groot gedeelte uit het versjouwen van beddengoed en strozakken. Want “waar slapen we vannacht het veiligst?” was een voorname telkens terugkerende vraag in verband met de richting waar de granaten vandaan kwamen. De vloer van de strijkkamers in het souterrain was bedekt met strozakken voor de jongere zusters. Er was geen paadje vrij. Naast ellende was er toch ook veel lol. Zo vond men het heel gewoon dat men naast elkaar op strozakken in de kelder sliep. Maar als dan ’s nachts iemand op de buurvrouw stapte in plaats van er naast…. In de nadagen van de oorlog wilden dertien Duitse militairen komen overnachten. Hanna was er tegen, maar ze mochten uiteindelijk in de voorkamer slapen. Maar om 7 uur de volgende dag moesten ze weg wezen. Buiten moesten de heren hun boterhammen opeten. Even later klopten Hanna en Virrie Cohen het tafelkleed uit over de Duitsers en even later ook het vloerkleed.