Pastoor Vullinghs

Pastoor Vullinghs is één van de vierendertig Limburgse priesters die tijdens de oorlog hun leven gaven in de strijd tegen de bezetter.
Hendrik Jacob H. Vullinghs was zoon van een bierbrouwer in Sevenum. Hij was geboren op 14 september 1883 en waarschijnlijk overleden op 9 april 1945 (?) in Bergen-Belsen. Hij werd priester gewijd in 1908 en in 1918 had hij een parochie gesticht in Grashoek en in 1939 werd hij benoemd tot pastoor in Grubbenvorst. Hij stond bekend als een verdraagzaam mens en had een brede culturele belangstelling. Hij zette zich onder meer in voor de kerkmuziek. Hij richtte het Ward Instituut te Roermond op, dat door de opleiding van duizenden onderwijskrachten decennialang landelijk het zangonderwijs heeft bepaald op talrijke katholieke scholen.
Het verzet
Vullinghs had in Italië gestudeerd en was daar in aanraking gekomen met het fascisme van Mussolini dat in hem diepe weerzin had opgewekt. In zijn preken voor 1940 ging hij regelmatig in op de politieke wantoestanden in Duitsland. Op 10 mei 1940 sprak hij, nadat hij de Duitse militaire overmacht had aanschouwd vanaf de preekstoel: “Onze soldaten kunnen niets meer doen. Nu is het de beurt aan ons. Wij zullen de Duitsers dwarszitten waar wij kunnen.” Vullinghs werd de leider van het verzet tegen de Duitse bezetter. Samen met zijn kapelaan, Jean Slots en later ook met zijn kapelaan Theo Trienekens en kapelaan Jac Naus, begon hij in mei al met het helpen van ontsnapte Franse krijgsgevangenen die via opgezette routes naar het vrije deel van Frankrijk werden gebracht. Daarna ging de pastoor verder met de hulp aan Joodse onderduikers en bemanningsleden van neergestorte vliegtuigen. Hij was betrokken bij het opzetten van vluchtroutes door Noord – en Midden – Limburg. Op zondag tijdens zijn preek riep de pastoor regelmatig zijn parochieleden op om kleding af te staan “voor een bepaald doel dat intussen algemeen bekend is”.
Verraad en arrestatie
Op 1 mei 1944 pastoor Vullinghs vlak voor de kerk op straat gearresteerd en opgesloten. Een maand later werd hij overgebracht naar kamp Vught waar hij zwaar mishandeld werd. Op 6 september 1944 werd hij op transport gezet naar het concentratiekamp Sachsenhausen en van daar uit Bergen-Belsen waar hij eind maart 1945 doodziek arriveerde. Twee weken later stierf hij daar aan dysenterie.