Tienray moet avacueren

Aan de ene kant hadden veel evacués uit de omliggende dorpen in Tienray onderdak gevonden. Aan de andere kant moesten mensen uit Tienray evacueren naar elders. De evacuatie is dan ook erg chaotisch verlopen, want de mensen mochten zelf kiezen, waarheen ze wilden gaan. Sommigen gingen naar Meerlo, Wanssum, Klein – Oirlo, Melderslo, Swolgen, Broekhuizen enzovoorts. Weer anderen trokken in het klooster of bleven gewoon thuis, wachtend op wat zou komen. Ofschoon het klooster in het Spergebied kwam te liggen, wilden de zusters het niet verlaten. Van have en goed zou immers niets overblijven en waar zouden ze allemaal heen moeten. En de oude en zieke mensen dan en waarom werd het ons toegestaan te blijven? In de nacht van zondag op maandag werden zij gewekt door de inslag van bommen en granaten. Wat een angstige nacht. Kinderen huilden onder het voortdurende inslaan van de granaten. Allen kropen van schrik heel dicht bij elkaar. Er werd vurig gebeden. Er was ontzettend veel lawaai. Zuster Verona dacht: Straks vallen de muren in puin en wij liggen er onder. Er waren veel ruiten van het klooster stuk. Een granaat vloog door het klooster zonder te ontploffen. De blindganger lag bij de kloosterboerderij (het huidige Dienstencentrum). Het was 31 oktober 1944. De Britten meenden dat er duizend of meer Duitsers in Tienray waren en waren in dat geval van plan geweest om Tienray met bommen te bestoken. Op 1 november 1944 was er geen heilige mis in het klooster, daar was het te gevaarlijk voor. De mensen kregen om zes uur in de kelder de communie. De zusters hoopten, dat ze mochten blijven ter wille van de oude zieke mensen. Op dezelfde dag kwam het bevel, dat heel Tienray ontruimd moest worden. De wethouder van Meerlo kwam met die mededeling. Grote borden op de toegangswegen van het dorp verkondigden de waarschuwing dat Tienray een “Sperrgebiet” was. Ieder die er durfde komen, zou zonder waarschuwing worden neergeschoten. Niettegenstaande alle moeite door pastoor Dinckels en een paar Duitse zusters gedaan bij de bevelhebbers, kwam op 2 november ´s morgens het uitdrukkelijke bevel: “vóór de avond moet Tienray ontruimd zijn”. Op 3 november werd medegedeeld, dat de zusters het huis moesten ruimen. Ze bereidden zich daarop voor. Eerst moesten de vluchtelingen vertrekken, maar niemand wist waarheen. Het kostte veel moeite om deze mensen tot vertrek te bewegen. De bejaarden en zieken hield men in het klooster. Vanaf 4 november was de heilige mis in de kelder. Het altaar was voor de bakoven geplaatst. De mensen zaten in lange rijen. De priester kwam rond om de communie uit te delen. ’s Avonds was er rozenkransgebed waarna de generale absolutie.
Zuster Romana Hendriks:
Ik was postulante in het klooster in Tienray. Er waren evacués uit Venray, Maashees en Vierlingsbeek. Er verbleven ook Duitsers in het klooster. Daardoor moesten de zusters in de kelder gaan slapen. Op zolder bevonden zich de twee Amerikanen. Omdat er zoveel mannen in het klooster waren, moesten de postulanten naar het kasteel in Blitterswijck lopen. Het werd voor deze meisjes namelijk te gevaarlijk met al die mannen in de buurt. Gepakt en gezakt met dekens en beddengoed verlieten we het klooster.
(Een postulante is een meisje dat zuster wil worden maar alleen herkenbaar is aan haar sluiertje).
Teng Bartels en zijn zus Lien Emons:
Op 1 november moesten de volgende drie huizen aan de Kloosterstraat ontruimd worden: Driessen op 19, Bartels op nummer 16 en Janssen op nummer 14. De drie families trokken naar Wanssum en verbleven daar tot na de bevrijding op een boerderij in de buurt van de huidige Molenhoek. (Meeerloseweg) Tijdens dat verblijf was de Maas overstroomd en zaten wij ingesloten. Aan de andere kant lag een mijnenveld. Nadat we weer thuis in Tienray waren, kwamen evacués uit Broekhuizenvorst en Blitterswijck bij ons.
-Theo van de Voort (Spoorstraat 10): Bij ons thuis kreeg men van de Duitsers het bevel te evacueren. Mijn vader en mijn zus Hanna kwamen in het klooster terecht met de twee oudjes van Overloon. Ook Nico Dohmen zat er ondergedoken, de twee piloten en ook nog een gedeserteerde Duitser. Wij, mijn vrouw, de drie kinderen en ikzelf, konden een enigszins veilig onderkomen vinden bij de ouders van mijn vrouw en haar broer op de “Molenhof” (Spoorstraat 68).
-De familie Kersten, Spoorstraat 50, evacueerde naar de Herenbosweg in Melderslo, een paar honderd meter van huis, evenals de familie Huijs – Huberts met kleine Theo.
De familie Versleijen, Spoorstraat 49, bleef gewoon thuis.
-De familie Theeuwen, Swolgenseweg 40, evacueerde naar het spoorweghuisje van Van Dongen in Melderslo en daarna naar Van Rens Lei, ongeveer vijftig meter van het spoor. Toen de Duitsers de spoorlijn vernielden met dynamiet vlogen stukken rails in het rond en doorboorden zelfs de kast in de kamer bij Van Rens. Niemand raakte daarbij gewond.
-De familie van Grad Thijssen (Swolgenseweg 41) nam de nieuwe naaimachine in de kruiwagen mee naar Meerlo.
-De familie Van Lin moest evacueren van de vier huus aan de Nieuwe Baan naar Blitterswijck.
De familie Gielens ging via Wanssum naar Servaas in Venray. De familie Clabbers, Swolgenseweg kwam via Wanssum in het juvenaat in Oostrum en daarna in Venray terecht op het Sint Annaterrein. Na drie weken ging het via Deurne naar St. Anthonis. Tegen Kerstmis kwam de familie weer thuis met de luxe auto van Wiel Cruijsberg.
-De familie Raijmakers verbleef samen met veel Duitse militairen in de kelder van het oude gemeentehuis in Meerlo. Na verloop van tijd trokken ze via St. Servaas in Venray, Leunen en Helmond naar Eindhoven. Daar werd iedereen eerst ontsmet met het gevaarlijke D.D.T. poeder, bang als men was voor luizen en ander ongedierte. Uiteindelijk kwam deze familie terecht in een boerderij in Borkel en Schaft bij Valkenswaard.
-Het gezin van schoenmaker Jan van Geffen – Nabben, Spoorstraat 21 was op de Stokt in Broekhuizenvorst terecht gekomen. De familie had niet alle fietsen ingeleverd en nam de laatste mee. Op de bagagedrager werd een volle mand met spullen gezet. Toen ze in Broekhuizenvorst aankwamen, hield een Duitse soldaat hen tegen en vorderde hun fiets. Op het gemeentehuis konden ze een briefje ophalen met gegevens van de afgepakte fiets.
In de boerderij werd de nacht doorgebracht in een koeienstal. Dat leek het veiligste. De koeien maakten veel lawaai door hun geloei en het rammelen van de kettingen. Moeder Van Geffen mocht om de andere dag koken. Na enkele dagen vonden ze onderdak in de schuur van August Geurts in Swolgen. Daarna kwamen ze in Horst terecht.
Toon Knoops: De familie Knoops kwam met de families Van Leest en Hendriks in Ooijen terecht. De Duitsers hadden daar veel gestolen vee verzameld in een wei. Enkele vluchtelingen hebben ´s nachts de draad doorgeknipt, zodat alle dieren konden ontsnappen. Eén dier werd gevangen en door slager Clevis klaar gemaakt voor consumptie. Alle mensen op ons onderduikadres hebben er lekker van gegeten.
´s Nachts moesten we in een schuilkelder slapen. Eerst gingen de kleintjes slapen. Zij kwamen achterin te liggen. Als ´s nachts één van de kleintjes moest plassen, ging er een emmer van voor naar achter en na gebruik weer naar voren. Soms moest de emmer dan weer een keer naar achter. Dat wekte wel eens irritatie op, zodat iemand riep: “En nou allemaal plassen”.