Verona de pakezel:

Op 3 januari liepen drie zusters naar Sevenum (12 km). Het regende hard en de weg was zeer slecht zodat wij drie uur nodig hadden om ons doel te bereiken. Wij hadden de wind van voren. Met zieke voeten en benen kwamen we die avond weer thuis. De blijdschap was groot. Wij torsten fier mee: kachelbuizen, ellebogen, een schop met steel, een grote waskom, twaalf glazen. Goede mensen hadden die zaken aan ons verkocht. We hadden een cadeau gekregen bij de aankoop van een broodmes en scheplepel. Het uitgeplunderde Oirlose convent kreeg verder tien nieuwe handdoeken, twaalf hand- of droogdoeken, vijf blauwe handdoeken, houten lepels, een deegrol, een emmer stroop, een bus jam. Sijbers in Sevenum verkocht aan de zusters: naai- en stopgaren, zwarte verf, allerlei ingrediënten om soep en jus te maken. Wij konden nauwelijks al die goede gaven dragen, maar zuster Jozefita kwam ons God dank tegen. Het werd hoog tijd, want wij raakten uitgeput!
Verona: Tot ieders genoegen hebben wij een kookpot gekregen en de deksel van de soepterrine. Wij hebben geen washuis, alles is stuk of verdwenen. Er is zelfs geen water! Gelukkig willen de kloosterlingen in Sevenum alles voor ons wassen. Wat een uitkomst. Voor ons alleen is het zeer moeilijk om onder deze omstandigheden kalm te blijven. Vandaag was het hier weer zeer druk. Onophoudelijk komen en gaan Britse soldaten. Het kapellentorentje is blijkbaar iets heel gewichtigs voor hen. Met instrumenten en allerlei onbekende zaken gaan ze naar boven. Met auto’s komen ze van heinde en verre. Het klooster mag niet afgesloten worden.