Vluchtelingen in het klooster

Al in september klopten veel mensen aan om onderdak in het klooster. De burgemeester van Sambeek met zijn vrouw en kind, de burgemeester van Horst en zijn vrouw en hun drie kinderen en de heer Widdershoven, inspecteur Lager Onderwijs met zijn vrouw. Op 15 oktober kwamen vluchtelingen uit Maashees in een auto van het Rode Kruis aan. Het waren een kloosterzuster en een aantal zieke oude mensen. Na de middag kwamen in totaal veertien zusters uit Vierlingsbeek van de orde van Jezus Maria en Jozef uit Den Bosch met in hun midden zevenentwintig bejaarden. Daarvan konden er twintig in Tienray worden ondergebracht. In alle mogelijke vertrekken, vooral in de kelder werden slaapgelegenheden ingericht. Veel zusters durfden niet meer in de slaapzaal te slapen. In de nacht van 31 oktober 1944 klopte om half vier pastoor Dinckels bij het klooster aan met 23 vluchtelingen aan om onderdak. Om 10.30 uur kwam een regen aan granaten van de kant van Meerlo. Vlak voor het klooster sloeg een granaat in, die veel schade veroorzaakte. In de gang, de sacristie en het oratorium sneuvelden alle ruiten. Een stuk van de biechtstoel werd afgeslagen. Het hele priesterkoor tot de ramen aan de oostzijde lag bezaaid met glasscherven. De zusters bleven tot 14.00 uur in de kapel terwijl de anderen in de kelder verbleven. De zusters waren erg bezorgd over een paar zusters, die het eigen kerkhof in orde aan het maken waren. Juist toen werd Tienray beschoten. Het was zielig, nee hartverscheurend soms om te zien hoe jonge gezinnen langs kwamen met moeder achter de kinderwagen en met jengelende kinderen om zich heen. Vader liep met het enige koetje dat hij gered had achteraan. Waarheen? Ze wisten het waarschijnlijk niet. In de kelder werden kindertjes geboren, enkele ouden van dagen stierven en werden dezelfde dag nog in alle stilte begraven. Gonnie Niessen – Van Geffen, Spoorstraat: Op 1 november 1944 vonden enkele evacués uit Venray onderdak bij ons in Tienray. Wij kregen ook inkwartiering van vier Duitse militairen waarvan twee goede. In de afgesloten schoenenwinkel lag allerlei oorlogstuig zoals handgranaten. Het klooster was vaak een steun voor de bevolking, vooral tegen het einde van de oorlog. Menig onderduiker kan hiervan vertellen. Bij de laatste beschietingen waanden de zusters evenals veel bewoners van het dorp zich enigszins veilig in de kelder van het klooster. Ook al was er een granaat op de zolder terecht gekomen (zonder te ontploffen) toch waren de bewoners van het klooster gespaard gebleven. In het dorp vielen enkele doden. Bij Van de Voort lagen zestien mensen in de kelder tijdens de beschietingen. Twee dames uit Vierlingsbeek waren daar ook bij. Zij waren afkomstig uit een bejaardentehuis en liepen verdwaald rond. Het waren tante Lucie en tante Marie. De Provinciaal Overste van de missiezusters van het Kostbaar Bloed was zuster Godelieve (Schouten) en Moeder Overste was Majola. In het klooster verbleven veel vluchtelingen, maar ook alle zieken van de gemeente Meerlo, waardoor voedselgebrek ontstond. Virrie Cohen en Hanna van de Voort gingen met een handkar de boer op. Moeder Majola kende geen vrees en trok er bijna iedere dag op uit samen met een paar dappere zusters en vrijwilligsters om eten op te halen. Ze mochten van de geëvacueerde bevolking van Tienray alles van hun velden halen.